zondag, januari 27, 2008

Bad


Ik had vandaag enorm veel zin een bad te nemen. En ineens bedacht ik: we hebben een bad, dat bovendien helemaal klaar is voor gebruik. Dus ben ik vandaag in bad geweest. Voor het eerst.

Met een tasje vol spullen - handdoek, badolie, tijdschrift, badjas - liep ik ons kleine huisje uit en de boerderij in. Alsof ik aan het kamperen was. Een kwartiertje later lag ik in ons eigen bad. Lekker te luieren, wat te lezen, te spetteren. Me te verbazen ook over de badkamer. De zelf ontworpen en deels zelf gebouwde badkamer die er twee jaar geleden nog niet was. Toen stond hier nog niets: nog geen muren, nog geen vloer, nog geen dakraam, laat staan een dak of plafond.

Het klinkt misschien wat overdreven, maar ik moet echt wennen aan het idee dat we hier straks gaan wonen, dat dit van ons is. Hoewel het ook weer niet al te lastig wennen is, met al die luxe.
Toch voel ik voor sommige dingen nog een drempel. Zoals de wc. Die durf ik nog niet gebruiken.

Trap





Hij kwam wat later dan gepland, maar nu is hij er dan toch: de trap. Helemaal klaar. En helemaal geweldig, vind ik zelf. Zowel qua uiterlijk als gevoel. Met dat laatste bedoel ik dat het geweldig voelt om de trap daadwerkelijk te betreden.

Tot nu toe kende ik de trap alleen uit tekeningen en verhalen. Erg veel verhalen. Tientallen gesprekken hebben we over die trap gevoerd. Die gingen over de afmetingen, de bouwtekening, de aanpassingen, waar de trap gemaakt moest worden, hoe we dat zouden doen, wanneer 'ie klaar zou zijn, wanneer we hem zouden proefpassen, de kosten, de traptreden.

Ik kende de trap in mijn gedachten dus al door en door. Maar erop gelopen had ik nog nooit. Tot zaterdagmiddag, een uur of vijf. Joop en Sikke - de mannen die de trap hebben gemaakt en geplaatst - waren net naar huis. Toen ben ik voor het eerst de trap opgelopen. Hand om de ijzeren leuning, schoenen uit. Heel voorzichtig, bang om 'm pijn te doen. Het voelde heerlijk en onwerkelijk tegelijk. Alsof ik in iemand's anders huis was. Of in een hotel.

Vandaag ging ik nog eens naar boven, deze keer samen met katten Brokkie en Saartje. Zij vonden het zo te zien al net zo raar als ik. Vreemd, onwennig om niet meer via de ladder naar de eerste etage te gaan. Wat een feest.

Het is dat ik snipverkouden ben, anders had ik de hele dag niets anders gedaan dan traplopen.

woensdag, januari 23, 2008

Oorlog in de tuin





Eindelijk is het gebeurd: we zijn aangesloten op gas, water en elektriciteit en nog een paar dingen meer. Voor het eerst sinds jaren brandt er weer een verwarming in de boerderij, kunnen we het licht via een schakelaar aandoen en komt er water uit de kraan!

De mannen die voor dit heuglijke feit hebben gezorgd, begonnen gisteren aan de klus. Met behulp van een grote graafmachine ploegden ze de hele voortuin binnen een uurtje volledig om. Van de weg tot aan de voordeur was het één grote loopgravenbende. Daar omheen lagen honderden kubs zand metershoog opgestapeld. Alsof er een beestachtig grote mol langs was geweest. Alsof de oorlog was uitgebroken. Zo leek het.

Na een middagje spitten waren de heren nog lang niet klaar, dus gingen ze vanmorgen om half acht vrolijk verder, gehuld in lekker warm uitziende knaloranje veiligheidspakken. Enorme rollen leidingen haalden ze uit hun busjes en terwijl ene Douwe een peukje rookte, dopten zijn collega's even verderop de gasleiding af (wat met een flinke gaslucht, maar nog nét geen explosie gepaard ging). Ze boorden, zaagden, schroefden, zweetten, bestudeerden ingewikkelde tekeningen, gooiden de greppels weer dicht. En toen was het klaar. Waren we aangesloten.

Maar waren we ook afgesloten. Alle leidingen in ons tijdelijke onderkomen waren weg, lagen nu in onze woonboerderij. Maar geen nood: onze installateur Gerke had wat noodvoorzieningen gemaakt. Daardoor hoefden we het maar een paar minuten zonder water, tv, licht en warmte te doen.

Eigenlijk lijkt er dus niet zoveel te zijn veranderd. Of toch wel. Want ineens kunnen we van alles doen in de boerderij: de wc doortrekken, tanden poetsen, naar de sauna gaan, douchen, een pizza in de oven stoppen, de vaatwasser aanzetten, erwtensoep invriezen, water koken.

Niet dat ik dat allemaal ga doen, want we wonen er nog niet. Zijn nog niet verhuisd. Hoewel het me wel heerlijk lijkt: zaterdag, na een dag klussen, even de sauna in. Daarna lekker douchen. Dan een ovenschoteltje maken. De vieze vaat daarna in de vaatwasser zetten, en de leftovers in de vriezer.

Misschien moet ik dat toch maar wel gaan doen.

maandag, januari 21, 2008

Zat



Het regent. Het stormt. Het is donker. Allemaal ingrediënten die averechts werken op mijn klusmotivatie. En dat terwijl we juist weer enorm zijn opgeschoten, op bouwgebied.

Een kleine impressie: sinds zaterdag is de verandavloer klaar, de 42 traptreden zijn gearriveerd en liggen klaar om gelakt te worden, twee mannen hebben vandaag glas geplaatst in de hal en de badkamers, de keukenkraan is geïnstalleerd. Morgen worden we eindelijk aangesloten op gas, water en elektriciteit. En als het meezit, komen Joop en Sikke zaterdag de trap plaatsen.

Allemaal prachtig. Toch kon ik niet van al die vooruitgang genieten toen ik vanavond thuis kwam. Ineens was ik alles zat. Onze modderige, onverlichte oprit vol gaten, waar je zomaar een halve meter naar beneden stort als je niet heel goed kijkt waar je loopt.

Daarna was ik de installateur zat, die nog in de boerderij bezig was met een close-in boiler. Het is een aardige kerel, maar nú even niet! Weg met de bouwvakkers die van 's ochtends zeven tot 's middags vijf in ons huis zijn. Ook al zijn ze nog zo vriendelijk en kunnen ze nog zo gezellig meefluiten met Hollandse hits.

Ik was nog meer zat: de potten verf, de vieze kwasten, de opgedroogde lakrollers. De stucloper op de vloer. De modder ín de boerderij. Het onophoudelijke geregel. De chaos. En alles wat ik vergeten ben te noemen.

Door en door chagrijnig plofte ik op de bank en deed de tv aan. Tot mijn verbijstering hoorde ik daar dat het helemaal niet raar is dat ik juist nu zo'n dip heb. Volgens een Britse wetenschapper schijnt januari namelijk de meest depressieve maand van het jaar te zijn.

Hij verklaart het ongeveer als volgt: ,,Alle neerslachtigheid valt samen. Vaak is het slecht weer; de kerstdagen zijn voorbij en de volgende vakantie is nog ver weg; mensen zijn gefrustreerd omdat ze hun goede voornemens niet kunnen volhouden en er uitverkoop is, terwijl hun geld op is.”

Het lag dus niet aan mij, maar aan de maand. Ik leefde helemaal op van dit goede nieuws. Totdat ik hoorde dat de wetenschapper heeft berekend dat 22 januari de meest depressieve dag van het jaar is. Als de beste man gelijk heeft, voel ik me morgen dus nóg vervelender. Dat zou heel jammer zijn: morgen ben ik jarig!

woensdag, januari 16, 2008

Keukenblad



We zijn weer een stap verder richting de verhuizing, want de timmerman heeft vandaag het keukenblad gebracht. Ik was er helaas niet bij, moest werken. Balen, want dit soort 'hoogtepunten' wil ik graag meemaken. Nu was ik de hele dag zenuwachtig. Moest ik telkens denken aan de keuken. Erg hè?

De thuiskomst vanavond was extra spannend. Het was donker, dus moest ik eerst de bouwlamp aan doen. En toen, ineens, zag ik het: een echte keuken! Met een joekel van een kookeiland.

Natuurlijk pastte dat enorme blad niet in één keer. Zo gaat dat in dit huis. Alles is schever, schuiner en minder waterpas dan zou moeten. Dat geldt dus ook voor de vloer in de keuken. Die verschilt over een lengte van vier meter zomaar een paar milimeter. Wat zijn nou een paar milimeter, hoor ik de klusleek al denken? Nou, Veel. Onze timmerman had er in elk geval grote moeite mee.

Maar geen nood. Een schaaf en wat advies van nóg een timmerman - onze buurman Harm - waren genoeg om de boel alsnog strak gemonteerd te krijgen. Het resultaat is meer dan bevredigend!

dinsdag, januari 15, 2008

En toen was er licht




Te veel klussen maakt raar. Ik weet het zeker. Sinds een tijdje kan ik namelijk nogal heftig reageren. Al van de meest kleine dingen word ik heel blij. Of juist heel boos. Maar dan ook echt buitenproportioneel blij of boos. Vooral dat laaste is compleet nieuw voor me.

Voorbeeld: toen ik vanmorgen de boerderij in liep, zag ik lampen branden. Geen bouwlampen, maar echte lampen. De spotjes in het plafond, de wallwashers en de wandarmaturen in de woonkamer gaven allemaal licht. Zomaar, ineens, terwijl we nog geen stroom hebben.

De installateurs - Gerko en André - bleken stroom te hebben afgetapt van het huisje waar we nu wonen. Stiekem. Prima, vond ik, want eindelijk zag ik nu hoe het huis er uitziet met licht. En dat is geweldig. Super. Van puur geluk ging ik spontaan gillen, springen en foto's maken. Wie doet dat nou? Blij worden van een lamp die aan is.

Tot zover het positieve verhaal. Nu het minder leuke deel. Zaterdag moest ik een 'torxbitje' kopen. Dat is een adaptertje voor op de accuboormachine, weet ik inmiddels. Met de auto reed ik in een kwartiertje naar de dichtstbijzijnde bouwmarkt. Daar liet ik me helpen door een medewerker. Na veel passen en meten dacht hij het juiste formaat bitje voor me te hebben. Ik geloofde hem direct, betaalde en reed terug.

Toen ik Wilfred de bitjes gaf, zag hij direct dat het de verkeerde maat was. Daarna werd ik toch boos. Niet op hem, maar op de wereld in het algemeen. Ik begon te schelden en te vloeken. Echt een compleet overspannen reactie, want waar gaat het helemaal over? Een verkeerd bitje, meer niet!

Maar daarbij bleef het niet. Ik moest die bitjes natuurlijk omruilen. En daarvoor moest ik dat hele eind - een kilometer of acht - terug rijden. Grommend en stampvoetend - nu weet ik waar dat woord vandaan komt - liep ik naar de auto. Met slippende banden reed ik weg en trapte het gaspedaal flink in.

Nét iets harder dan mocht, reed ik voor de tweede keer naar de bouwmarkt. Ik leek bijna zo'n agressieve bestuurder die in het tv-programma 'Blik op de weg' wordt aangehouden omdat hij zes rode stoplichten negeert en 250 km per uur rijdt binnen de bebouwde kom. Ik vond dat soort types altijd heel zielig en sneu, maar ineens begreep ik ze volledig. Ook al was ik nog zo beschaafd om de speedlimit met slechts 25 in plaats van 200 kilometer per uur te overschrijden (en wat die stoplichten betreft: die hebben we hier niet).

Twee keer zo snel als anders was ik bij de Fix It, waar ik de bitjes ruilde. Iets minder hard, maar nog altijd té, scheurde ik terug. Pas na een halve dag verven werd ik een beetje rustig. Kon ik weer lachen in plaats van schreeuwen.

De verklaring voor deze gekkigheid? Te veel verf gesnoven, te veel balken gesjouwd, te veel isolatiemateriaal in plafonds gestopt de afgelopen twee jaar. Gelukkig zijn we bijna uitgebouwd. En word ik straks weer normaal. Hoop ik.

vrijdag, januari 04, 2008

Verven verven verven




Verven. Op de bouw bestaat ons leven de laatste tijd uit bijna niets anders. Ik doe het al een jaar en Wilfred heeft zich de kwast sinds kort nu ook eigen gemaakt. Sinds een paar weken zijn hij en zijn vader uitgetimmerd en dus heeft Wilfred ook tijd om te verven.

We hebben de taken verdeeld: Wilf latext voornamelijk, ik zit in de lak. En dat gaat goed. Zo goed, dat Wilfred na twee weken hard doorwerken in de kerstvakantie zelfs al helemaal is uitgelatext (mooi woord). Alle muren zijn van twee lagen latex voorzien en zien er superstrak uit.

Ook met het lakken gaat het vlot: na de meeste plinten en kozijnen te hebben gehad, ben ik nu aangeland bij de houten vloeren. Op de tweede etage heb ik de vloer al drie keer in de lak gezet; op de eerste etage ga ik morgen beginnen. Kniebeschermers om, schoenen uit, drie paar sokken aan (anders vriezen mijn tenen er zowat af) en lekker high worden maar van alle giftige dampen.


Geef ons nog een week of twee, dan kunnen we de kwasten definitief schoonmaken en opbergen. Weg emmers met rollers, weg terpentine, weg potten met verf. Klaar!

Wat weer niet wil zeggen dat we definitief en helemaal klaar zijn. We wachten nog op de komst van de trap, het keukenblad en gas, water en elektriciteit. Pas dan zijn we echt klaar.

Tot die tijd lopen we nog lekker met wallen en rode oogjes rond. Glunderende rode oogjes, dat wel.

Mini-verhuizing


Vanavond zijn we stiekem al een heel klein beetje verhuisd. We konden het niet laten.
Eén hoekje in de keuken annex woonkamer dat al helemaal latex- en lakklaar is, schreeuwde er gewoon om ingericht te worden. En dat hebben we gedaan. Met een heel speciaal bankje.

Het komt van Texel. Daar woont een heel lange jongen (minstens 2 meter) die elke dag naar het strand fiets om te jutten. Alle spullen bindt hij aan zijn rijwiel en helemaal volgeladen rijdt hij dan weer naar huis. Daar maakt hij van het aangespoelde hout allerlei meubels, zoals bovenstaand bankje.

En nu staat het bankje dus bij ons in huis. Het eerste meubel in de boerderie. Geweldig.

zondag, december 16, 2007

Trap


Ra, ra, wat is dit? Een kar vol oud ijzer? Nee, een kar vol trap. Onze trap, wel te verstaan. Die nog niet helemaal af is...


Kijk, het zit zo. Joop en Sikke maken onze trap. Dat doen ze ergens in een fabriek of loods, met behulp van een ingewikkelde bouwtekening. Die tekening had nog heel wat 'voeten in de aarde' (hoewel er op die hele tekening geen voeten of aarde te zien zijn).

Eerst moest de tekening worden aangepast omdat de trapopgang niet voldeed aan de brandveiligheidseisen: van de brandweer mag de afstand tussen de trapopgang en de voordeur/de hoofdslaapkamer niet meer dan vijftien meter zijn. Ja, je moet het maar weten. Daarna klopte de maatvoering niet, en daarna bleek 'ie niet gedetailleerd genoeg. En dus moest er een nóg een tekening komen.

Gewapend met twee tekeningen in de hand zijn Joop en Sikke aan de slag gegaan. Na een tijdje lassen, slijpen, rekenen en nadenken waren de broers afgelopen zaterdag klaar om de trap te komen passen. Alsof het een bruidsjurk is: even kijken of alles past, of het huis niet dikker dan wel dunner is geworden. Dat soort dingen.

En dus kwamen ze met een kar vol genummerd staal aanrijden. Ze stalden alle onderdelen uit op de vloer en bouwden stapje voor stapje de trap op. Niet dat het veel weg had van een trap. De treden en allerlei andere onderdelen ontbraken nog. En ook was 'ie nog niet geverfd. Maar met een beetje fanatasie - en dat heb ik - kon ik er wel een trap in ontdekken.

Na een halve dag sleutelen, zat de trap er eindelijk in. En wat bleek? Hij was zeven centimer te hoog. Nu denk je misschien: wat is nou zeven centimeter? In de bouw is dat veel, heel veel. Daar reken je in millimeters. Dus eigenlijk hebben we het hier over een fout van 70 millimeter. Da's ineens andere koek, niet waar?

Gelukkig zijn er de afgelopen twee jaar al zoveel dingen anders gegaan dan we hadden gepland, dat ik me over dit 'kleine' foutje geen zorgen meer maak. Joop en Sikke doen dat ook niet, want zij werken al jaren in de bouw en kennen deze wetmatigheid dus als de beste.

Vandaar dat ze de trap fluitend weer los maakten, in de kar legden en vrolijk zwaaiend naar huis reden. Waar ze - waarschijnlijk ook weer fluitend - de trap gaan aanpassen, net zolang tot 'ie past, de juiste kleur, traptreden, zijkanten en railingen heeft.

Over een tijdje komen ze de trap dan weer brengen. Helemaal af, en helemaal passend. En ook al past 'ie niet, dan maken ze hem wel passend.

Afzuigkap


Hij hangt, de afzuigkap. Weer iets om blij van te worden. Zeker nu ik weet hoeveel moeite het kostte om dit ding op te hangen. Want zoals bij zoveel spullen in huis geldt ook hiervoor dat het bevestigen ervan eenvoudiger en vanzelfsprekender lijkt dan het is.

Wilfred en zijn vader waren er een dag zoet mee. Na eerst goed te hebben gemeten - meten is weten - hadden ze het gat in het plafond zo gezaagd. Ook nog op de juiste plek. Iets meer tijd hadden ze nodig om te bedenken hoe ze dit 15 kilo zware apparaat aan een kwestbaar gipsplafonnetje gingen ophangen. De oplossing: vastmaken aan de vloer van de eerste verdieping. Die bestaat onder andere uit houten underlaymentplaten.


Dus maakten ze allerlei laagjes hout vast aan die underlaymentplaten. En maakten ze allerlei koofjes van hout daar weer aan vast. Dat herhaalden ze net zolang tot ze een enorme dikke, stevige laag van hout en schroeven hadden (zo stel ik het me tenminste voor). Een laag die zo stevig is, dat je er wel een tractor aan op kan hangen (bij wijze van...). Dat hebben we natuurlijk niet getest. De afzuigkap kan de constructie in elk geval makkelijk aan.



Nu lijkt het misschien alsof dit allemaal heel makkelijk ging. Maar niet dus. De mannen hebben heel wat afgezweet en geschreeuwd (dat lucht zo lekker op) tijdens het ophangproces. Onder andere omdat de bijgeleverde schroefjes helemaal niet in de schroefgaten pasten, en omdat de inbusopening zo klein was, dat je 'm bijna niet kon zien. Om maar wat klein leed te noemen.

Natuurlijk zijn we alle pijn en moeite vergeten nu de afzuiger eenmaal hangt. Zo gaat het met alles. Als het eindresultaat maar goed is. En dat is het.

woensdag, december 12, 2007

Gas, water, licht


Gas, water, licht. Het is zo'n term die je vaak gebruikt, maar waar je nooit echt over nadenkt. Totdat je een veel te hoge rekening van het energiebedrijf krijgt, of gaat verhuizen. In dat laatste geval moet je ineens tig formulieren invullen, meterstanden noteren, oude en nieuwe adressen doorgeven, kiezen uit duizenden kleuren stroom (groen, grijs, geel) en heel vaak bellen met call centra. Zeker als je de hele boel via internet regelt. Hoewel het vast ook wel eens goed gaat, zijn mijn ervaringen niet echt briljant op dit gebied.

Maar als het bij een verhuizing al niet soepel loopt, hoe zou het dan werken bij een nog te bouwen huis? Waar de leidingen dus nog aangelegd moeten worden. Ik vreesde het ergste. En tot nu toe blijkt die vrees gegrond. Komt ie: in augustus zijn we begonnen met het aanvragen van de hele bende en nu, bijna een half jaar later, heb ik nog altijd geen essent of nuonmannetje over de vloer gehad.



En dat terwijl alles voor ze klaar staat: de meterkast is af (die ziet er inmiddels dus anders uit dan op de foto) en ook de buizen waar de gas-, water- en elektriciteitleidingen straks doorheen moeten straks, hebben we al onder het huis door gehaald.

Dat laatste was trouwens een rottig werkje. Eerst een gat graven in de grond, dan door een halve meter dikke geïsoleerde betonvloer heen beuken, om vervolgens vanuit een mini-loopgraaf zittend op je hurken zes plastic buizen van binnen naar buiten proberen te wringen. Die buizen moesten bovendien nog op een bepaalde diepte liggen. Water op één meter, de rest op 50 centimeter onder het maaiveld (leuke term). Na een paar uur pijn lijden, schelden en zweten zat de boel er in. Het grote wachten kon beginnen.



Maar het wachten duurt nog steeds. Ondanks tig telefoontjes naar de installeteur, die de aanvraag voor ons regelt. Ook hij weet niet waarom het allemaal zo lang duurt. Wat hij wel weet, is dat we nog langer moeten wachten. Minstens nog een maand, of drie maanden.

Aangezien ik dat niet zie zitten, heb ik het heft (hoe dat er ook uit ziet) maar in eigen hand genomen. Ik heb het telefoonnummer gekregen van ene meneer De Jong, van de afdelingen Aansluitingen van een energiebedrijf. Hij schijnt degene te zijn die ons gaat redden (hoop ik). Maar helaas, toen ik hem vandaag probeerde te bellen, hoorde ik dat woensdag zijn vrije dag is. En dus wacht ik nog wat langer.

zondag, december 09, 2007

Twee jaar


Vandaag zijn we precies twee jaar eigenaar van dit huis. Op 1 dag na zijn we ook precies twee jaar aan het bouwen. In die tijd is er veel veranderd, om er maar even een cliché bij te halen. Zo bouwden we ons krot om in een droomhuis. En zo zijn Wilfred en ik – ooit een vrolijk, fit en energievol duo – verworden tot twee afgepeigerde zombies (ik overdrijf nooit).

Ik weet nog goed hoe overenthousiast we aan onze eerste klusdag begonnen op zaterdag 10 december 2005. Ik had die nacht amper geslapen en was al ver voordat de wekker ging, wakker; zo veel zin had ik in het klussen. Om de start van de bouw te vieren, dronken we om acht uur 's ochtends klappertandend champagne in de boerderij.

Onze adem zag je opstijgen in de lucht, de wind joeg over het land. IJskoud was het, en tochtig. Dat lag niet zozeer aan de sneeuw, als wel aan het nogal open karakter van het huis op dat moment: een half dak, een betonplaat, anderhalve muur vol scheuren en een stalen casco.


Na het proosten ging ik zo blij als een kind (van een jaar of acht) met de slopershamer aan de slag. We moesten namelijk eerst het huisje naast de boerderij opknappen. Dat zou ons onderkomen worden tijdens de bouw van de boerderij. Als een dolle ging ik te keer. Ik weet nog hoe heerlijk ik het vond. En wat een spierpijn ik de volgende dag had.

Dik drie maanden timmerden we er vrolijk op los. Toen konden we verhuizen en met het echte werk beginnen. Wederom vol enthousiasme tilden we ruim 200 balken, 200 vloerplaten, 200 pakken isolatiemateriaal en minstens negenhonderd gipsplaten naar binnen. Nog altijd even enthousiast haalden we daarna de aannemer binnen, die ons dak en de muren ging bouwen.

Een maand of drie stond onze bouwval in de steigers. Elke dag was er wel iemand aan het timmeren, dakpannen leggen, voegen of restaureren. Zalig was dat, want langzaam zag ik het huis in een huis veranderen (zonder daar zelf ook maar iets voor te hoeven doen).




Ondanks al die vooruitgang begon mijn klusanimo vanaf dat moment langzaam af te nemen. En het verlangen naar rust en privacy toe te nemen. Sindsdien zijn we nooit meer zo enthousiast geweest als in het begin. Zijn de tegenzin, de vermoeidheid en de wallen steeds groter geworden. Nu, twee jaar en weinig klusvrije dagen later, kan je wel raden hoe we ons voelen. En hoe we eruit zien.

Toch is er de laatste tijd iets grappigs aan de hand: het enthousiasme van het eerste uur is een beetje terug. Ik betrap mezelf erop dat ik verlangend uitkijk naar het moment waarop ik mijn vieze overall weer aan mag trekken. Dat ik tijdens het verven weer meezing met liedjes op de radio. En dat ik zelfs op mijn vrije zondag ga klussen.

Ik ruik namelijk het einde. We hoeven ‘nog maar’ 12 ruimtes, enkele tientallen meters plinten, een stuk of wat deurkozijnen en een paar houten vloeren te verven. Dan nog even de trap, het keukenblad en wat glas plaatsen en klaar is de klus. Hoe meer we nu doen, hoe eerder het klaar is. En zo eindigt dit verhaal toch nog positief. En dat is ook wat waard.

zondag, november 25, 2007

Hoe het was




Soms, als ik het bouwen niet meer zie zitten, ga ik foto's kijken. Foto's van hoe het huis er een jaar geleden uitzag. Dat werkt enorm opbeurend. Want dan zie ik wat we al hebben gedaan, niet wat we nog moeten doen.

Neem bovenstaande foto's. Gemaakt in november 2006. Bijna nergens een gipsplaat te bekennen; niet op de wanden, op de plafonds of op de dakplaten. Isolatiemateriaal staat tien pakken hoog opgestapeld. In de woonkamer liggen gereedschap en bouwmateriaal op de vloer in plaats van vloerverwarming en gevlinderd beton.

Er is nog geen loopbrug. Nog geen bad, plint, deurkozijn, tegels, keuken of wc. De stukadoor is nog niet geweest, de vensterbanken ontbreken nog, op de muren zit nog geen likje verf.

Fantastisch om te zien hoeveel verder we één jaar later zijn. Wat we hebben gepresteerd. En dat allemaal omdat we blijven doorzetten, de vaart erin houden, en de moed. Nu klinkt het misschien alsof ons dat heel gemakkelijk afgaat. Niet dus. Vooral het gedeelte met die moed is soms lastig.

Want na bijna twee jaar bouwen zijn we dan wel bijna uitgeklust, maar ook uitgeblust. Onze energievoorraad is zo goed als op. We zien er moe en uitgewoond uit. Met dikke wallen, rood omrande ogen en witte snuitjes. We hebben steeds meer slaap nodig om alles vol te houden, zijn na één biertje al dronken. Onze flexibiliteit en geduld nemen af, net als onze zin om elke vrije dag te klussen.

We snakken naar rust. Naar een echte vakantie, waarin we luieren en over iets anders praten dan offertes, installateurs, deurbeslag en extra dekkende verf.

Maar zover is het niet. Hoewel ons to do-lijstje met de week slinkt, moeten we nog zeker twee tot drie maanden bouwen. Dat betekent dus doorbijten, verstand op nul, knop om en vooral: veel foto's bekijken van hoe het was. Zodat ik zie wat al is gedaan. Niet wat nog moet.

Gehakt en spaanders




De keuken staat op z’n plek. Wat een opluchting is dat.

Ik had me er van tevoren enorm druk om gemaakt. Mijn vriend en zijn vader zouden de keuken zelf monteren. Hoewel ze samen al een heel huis hebben gebouwd, was ik toch een beetje bezorgd of ze dit wel zouden kunnen. Of alle deurtjes en lades niet scheef zouden gaan hangen. Of er geen naden tussen de kastjes zouden ontstaan. Of de vaatwasser wel op de goede plek zou komen.

Het was allemaal drukte om niets, want na twee dagen werken staat de keuken er. Helemaal waterpas, naadloos en op de juiste locatie. Ik kan dus weer rustig slapen.

Had ik gedacht. Want onlangs ontdekte mijn broer Wierd iets vreselijks – relatief gezien. Tijdens een tour door het huis vertelden we enthousiast waar het kookeiland en de rest van de keuken zouden verrijzen. Wierd knikte en wees daarna op de stopcontacten. Of die niet wat laag zaten als ze boven het aanrechtblad moesten uitkomen?

Wilfred dacht van niet, maar pakte voor de zekerheid zijn duimstok. Een beetje bouwvakker heeft die altijd op zak. Met een 96 centimeter hoog aanrecht zouden de stopcontacten op minstens 1 meter van de grond moeten zitten. Dat hadden we ook zo doorgegeven aan de installateur. Maar helaas, na tig keer meten, wees de duimstok niet meer dan 92 centimeter aan. Minstens 8 centimeter te laag.

Hm, weer iets waar ik wakker van kon liggen. Want hoe zouden we dit gaan oplossen? Het aanrechtblad iets lager maken dan gepland? Of de stopcontacten verplaatsen, maar dan zou de muur opnieuw gestuukt en geverfd moeten worden. Wat een gedoe!

Inmiddels hebben Wilfred en zijn vader besloten dat de laatste oplossing de beste is.
Volgens de installateur is het zo gepiept. De oude gaten die overblijven in de muur dekken we af met een roestvrijstalen plaat. Ziet er nog strak uit ook, zegt Wilfred.

Ja, ja. Het zal wel. Ik wil me er niet meer druk om maken. Want straks zit er vast weer iets te laag of te hoog. Gaat er weer iets stuk. Loopt het weer anders dan we hadden gepland. Want hoe gaan we bijvoorbeeld de afzuigkap ophangen in een gipsplafond? Zal de timmerman het aanrechtblad wel goed hebben opgemeten? Gaat de trap wel passen? En al het glas?

Waar gehakt wordt, vallen spaanders, zeggen wij Hollanders toch al jaren? Ik snap precies wat ‘we’ daarmee bedoelen. Nu nog leren het te accepteren.

Schilder



Als ik nu een ander beroep zou moeten kiezen, wist ik het wel: schilder.

Niet dat ik dat vroeger ooit wilde worden. Ik was helemaal niet bedreven in verven. Deed het ook bijna nooit. Hooguit twee keer per jaar een middagje, bij vrienden in hun nieuwe woning. Hoewel ik het heus best netjes deed, zaten er altijd wel een paar druipers op de kozijnen, muur, plinten of mezelf. Zelfs als ik alles had afgeplakt.

Ik wist ook niet goed hoe het werkte, verven. Wanneer moest ik grondverf gebruiken, wanneer lak, wanneer rollers en wanneer een gewone kwast. Hoe vaak moest ik schuren, hoe kreeg ik een schroefgat dicht en waarvoor diende peut eigenlijk? Ik had geen flauw idee. Leuk vond ik het ook niet echt. Ik verheugde me altijd het meest op het bier na afloop van een dagje klussen.

Maar nu - bijna twee jaar later en na honderden meters dakgoot, plint, kozijn en muur in de verf te hebben gezet - is dat allemaal anders. Doe ik nauwelijks onder voor een professionele schilder, al zeg ik het zelf.

Zo weet ik ondertussen welke verf ik op welk soort materiaal moet smeren en in welke volgorde. Heb ik een behoorlijk vaste hand. Drup of mors ik bijna niet meer en gebruik ik nog maar zelden afplaktape. Ook ga ik altijd goed uitgerust op pad: met kneedbaar hout voor gaten, kit voor naden, schuurpapier voor oneffenheden en een doekje voor de enkele keren dat ik wél uitschiet. Natuurlijk ventileer ik altijd. En voor het geval de handen toch vies zijn geworden, staat er een pot 'professional cleaner' op het aanrecht, van Bizon.

Wellicht overdrijf ik een beetje. Maar wedden dat ik een heel eind kom als ik solliciteer voor schilder. Hoewel ze me op één ding zouden kunnen afwijzen: mijn werktenue. Dat houd ik niet schoon, komt er helemaal onder te zitten. Neem mijn overall. Die was ooit rood. Echt waar.

Gelukkig heb ik nog even de tijd om me ook op dit punt te verbeteren, want we zijn nog lang niet uitgeverfd. De plinten, deur- en raamkozijnen op de eerste etage en de begane grond moeten nog gegrond en gelakt, en alle muren nog één keer gelatext.

Alles bij elkaar een maand of twee werk. Daarna durf ik het wel aan. Nu de klant nog.

vrijdag, november 16, 2007

Vloer




Wat leggen we op de vloer? Iedereen die een huis heeft gekocht, moet die vraag een keer beantwoorden. Wij dus ook. En da's geen eenvoudige zaak, kan ik u vertellen. Tegenwoordig is de keuze uit vloerbedekking enorm, zo ontdekten wij al onderzoek doend. Het aanbod varieert van beton, Peruaans eiken, getrommelde kasteelplanken, parket en lekker wollig tapijt tot glad poxy, hip vinyl of met wilde prints bedrukt multiplex. En duizenden soorten laminaat.

Een beetje snelle beslisser weet natuurlijk zó wat 'ie wil. Ik niet. Vandaar dat ik eerst inspiratie ging opdoen. Bladen als VT Wonen's en Eigen Huis & Interieur zijn daar heel geschikt voor. Die knallen zowat uit elkaar van de reclames, tests (fijn woord) en artikelen over vloeren.

Daarna zijn we naar allerlei vloerenwinkels gegaan. Heel leuk is het daar, want ik zag er de meest geweldige materialen. Maar het was ook heel frustrerend, want het spul dat ik wilde hebben, was ook meteen het duurst. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar wel als je woonkamer zo'n 180 vierkante meter is. Een Bruynzeelvloertje van Amerikaans grenen - met extra brede planken – doet dan al snel twintigduizend euro. En da’s nog exclusief leggen.

Al vrij vlot kwamen we tot de conclusie dat er voor de woonkamer maar één optie overbleef: een gevlinderde betonvloer. Heel betaalbaar én heel stoer. Bleven over: de gangen en slaapkamers. Na een maand of vier wisten we wat er op de gangen moest komen: grote rechthoekige platen meranti multiplex.

In juni heeft een groep wilde mannen de betonvloer gestort. De merantiplaten liggen er sinds afgelopen woensdag. Tineke en ik hebben ze gelakt; Henk en Wilfred hebben ze gelegd. Het resultaat is geweldig.

Nu alleen de slaapkamers nog. Dat er tapijt moet komen, weten we al. Da's lekker zacht aan je voeten. Maar welk soort? In elk geval niet het spul dat in mijn kamer lag tijdens mijn studietijd. Dat kwam van de Leenbakker, kostte vier of vijf gulden per strekkende meter. Goedkoper was er niet. En dat was ook te merken: na een week was het al een paar meter opgerekt en als ik er een sprintje op trok, stonden mijn voeten ongeveer in de brand, zo synthetisch was het.

Dat was toen. Nu is het tijd voor kwaliteit. Mooi spul. Paradijs onder mijn voeten, jong mos. Dus gingen we naar een designzaak. De enthousiaste eigenaar - die er met zijn zwarte kleren en designbril eerder uitzag als een kunstenaar - liet ons de meest prachtige stalen zien, die in prachtig vormgegeven boeken zaten en van de meeste prachtige kwaliteit en kleuren waren. Precies wat ik wilde!

Na anderhalf uur voelen en knuffelen durfde ik eindelijk de Grote Vraag te stellen: hoe veel kost het? De artistieke man keek ons blij aan, alsof er niets aan de hand was, en zei toen vrolijk: elfhonderd euro per strekkende meter! Voor de vorm hebben we nog wat vragen gesteld en rondgekeken. Toen zijn we snel en teleurgesteld de winkel uitgelopen.

Inmiddels heb ik ontdekt dat er ook nog iets is tussen Kwantum en design - wat tapijt betreft. Tientallen stalen heb ik ervan in huis liggen. Ons testpanel - kat Brokkie en poes Saartje - heeft ze al goedgekeurd. Nu wij nog.

maandag, oktober 29, 2007

Mol

Dit is Wilfred's hand. Hoe hij deze enorme verwonding heeft opgelopen? Dat zit zo.


Voordat we in de boerderij kunnen wonen, moeten we nog aangesloten worden op de riolering. Alleen ligt die er niet. Ook de minstens veertig meter lange en zeventig centimeter diepe greppel waar de riolering in moet komen, ontbreekt nog.

Dat betekent dus graven. Nu is graven in gewone grond niet het vervelendste werk. Wel een beetje zwaar voor je rug, vooral als je niet dagelijks je tuin omspit. Dan is het afbreukrisico letterlijk erg groot. Echt vervelend wordt het als de grond vol ligt met puin. Waar bij elke schep een steen, stuk ijzer of brok beton de doorgang blokkeert. Dat laatste was bij ons natuurlijk het geval.

Al na een paar meter graven was het duidelijk dat wij een vervelende tijd tegemoet gingen, wat graven betreft. Onze tuin bleek niet uit losse, zachte, vriendelijke grond te bestaan. Integendeel. De vorige eigenaren hadden óf geen vuilnisbak óf geen zin in ritjes naar de stort, want al hun afval dumpten ze in de tuin. Van dikke keien (uit de ijstijd), hoefijzers, beschilderde tegels tot rollen prikkeldraad, glas, betumen, oude kranten, (beer)putten, restjes muur, ijzeren staven en stukken touw. Echt, ons lapje grond zit vol geheimen. Een waar goudmijntje, archeologisch gezien.

Allemaal heel fijn, voor die archeologen. Maar niet voor ons, mollen. Wilfred, Jan Bert, Radboud en ik moesten ons een ongeluk beuken om alle rotzooi eruit te krijgen. Jan Bert pakte op een gegeven moment zelfs een moker erbij, terwijl Wilfred zijn toevlucht nam tot de 'trilnaald' oftewel kango. Radboud en ik gebruikten vooral brute kracht en onze handen om de boel af te graven. Het resultaat, na drie dagen bikkelen: een prachtige loopgraaf, een compleet omgeploegde tuin, vier stijve ruggetjes en een stuk of wat ontvelde knokkels.

En dat zal voorlopig nog wel even zo blijven. Want als morgen de riolering erin ligt, moet al het zand weer terug...